Onze huidige exposanten
Marie-Thérèse Schlösser
Kunstenaar en galeriehoudster Marie-Thérèse Schlösser werkt vanuit intuïtie, maar altijd met een grote nieuwsgierigheid naar materiaal, vorm en techniek. Haar kunstenaarschap ontwikkelde zich in de loop van vele jaren en verschillende disciplines. Ze werkte onder meer met gips, was, brons en marmer, schilderde en verdiepte zich later steeds verder in glas. Die brede ervaring is nog altijd zichtbaar in haar werk: schilderen, beeldhouwen, glas en installaties staan niet los van elkaar, maar beïnvloeden elkaar voortdurend.
Haar atelier is daarbij bijna een laboratorium. Vaak zijn meerdere werken tegelijkertijd in ontwikkeling en ontstaat gaandeweg wat een materiaal of vorm nodig heeft. Experimenteren hoort bij dat proces. Niet alles ligt vooraf vast; juist het onderzoeken, veranderen en opnieuw kijken kan een werk een onverwachte richting geven.
Tegenstellingen spelen een terugkerende rol. Ronde, organische vormen staan tegenover scherpe lijnen, transparantie tegenover materie en licht tegenover schaduw. Vooral glas biedt haar daarin bijzondere mogelijkheden. Het materiaal vangt het licht, laat het door of weerkaatst het, waardoor een werk afhankelijk van het moment en de plek steeds anders kan worden ervaren.
Een bijzondere plaats binnen haar oeuvre heeft de oloïde, de mathematische vorm van Paul Schatz waarmee Marie-Thérèse sinds 2015 werkt. Ze nam de bestaande geometrie niet simpelweg over, maar onderzocht hoe ze de vorm naar haar eigen hand kon zetten. Rechte vlakken werden glooiend en het ronde gat maakte plaats voor een ovale vorm. Voor deze eigen interpretatie verkreeg zij internationale ontwerpbescherming. Het is misschien wel het duidelijkste voorbeeld van wat haar werk kenmerkt: de ontmoeting tussen artistieke vrijheid, technische nieuwsgierigheid en vormonderzoek.
Naast haar eigen kunstenaarschap creëert Marie-Thérèse als galeriehoudster van Arthouse Roermond ook ruimte voor het werk van anderen. Die twee rollen liggen dichter bij elkaar dan ze op het eerste gezicht misschien lijken. In beide gaat het om nieuwsgierig blijven, nieuwe perspectieven toelaten en ruimte geven aan wat kunst bij iemand teweeg kan brengen.
Haar werk nodigt daarmee niet uit tot één vast antwoord. Het vraagt vooral om te kijken en daarna nog eens te kijken.
Diana Bongers
Op het eerste gezicht lijken de werken van Diana Bongers bijna digitaal opgebouwd: ritmisch, precies en vol herhaling. Wie dichterbij komt, ontdekt iets heel anders. Ieder afzonderlijk stukje papier is met de hand bewerkt, gekleurd en gevouwen. Juist de kleine verschillen die daardoor ontstaan, geven haar werk zijn organische karakter.
Die combinatie van structuur en imperfectie loopt als een rode draad door haar kunstenaarschap. Diana studeerde aan de kunstacademie in ’s-Hertogenbosch en werkte jarenlang als surface designer voor de behang- en textielindustrie. Haar ontwerpen vonden hun weg naar internationale merken als Arte, Marburg, Rasch en Graham & Brown. De ervaring die ze daar opdeed met patronen, texturen, kleur en herhaling is nog altijd herkenbaar in haar vrije werk.
Voor haar inspiratie kijkt Diana vooral naar de natuur. Niet om haar letterlijk na te bootsen, maar om te begrijpen hoe uit talloze kleine elementen één geheel kan ontstaan. Denk aan de bladeren van een boom of de schubben van een vis: er is een duidelijk ritme en toch is geen onderdeel precies hetzelfde. Vanuit dat principe bouwt zij haar Paperfields op uit eenvoudige driedimensionale papiervormen die samen een nieuw landschap vormen.
Daarbij speelt ook het licht een belangrijke rol. De gevouwen elementen werpen schaduwen en vangen afhankelijk van de kijkrichting steeds andere kleuren. Een werk van Diana laat zich daarom moeilijk vanuit één positie bekijken. Van dichtbij zie je het handwerk en de afzonderlijke vormen; op afstand versmelten die tot patronen en beweging.
Misschien schuilt juist daarin de aantrekkingskracht van haar werk: wat eerst heel geordend en bijna perfect lijkt, blijkt bij nader kijken te bestaan uit honderden kleine verschillen.
En precies die imperfectie maakt het geheel levend.
Hans van den Berkmortel
Schilder én fotograaf Hans van den Berkmortel kijkt graag naar wat zich buiten het middelpunt afspeelt. Niet noodzakelijk naar het onderwerp waar iedereen naar kijkt, maar juist naar wat eromheen gebeurt. Misschien zegt één detail daar alles over: al jarenlang fotografeert hij bij de thuiswedstrijden van Helmond Sport vrijwel alles rondom het voetbal – behalve de spelers.
Die manier van kijken verbindt zijn fotografie en schilderkunst. Hans is autodidact in beide disciplines. Ze beïnvloeden elkaar, maar hebben ieder een eigen karakter. Als fotograaf zoekt hij niet naar het perfecte of geënsceneerde beeld. Hij observeert, wacht en reageert op dat ene korte moment waarop licht, kleur en compositie samenvallen en iets gewoons ineens bijzonder wordt. Zijn onderwerpen vond hij zowel dichtbij huis als tijdens reizen over de hele wereld.
Ook als schilder zoekt Hans naar de essentie. Paarden vormen een terugkerend motief in zijn werk. Niet als natuurgetrouwe portretten, maar teruggebracht tot krachtige lijnen, beweging en ritme. Tegen vaak uitgesproken kleurvlakken krijgen de dieren alle ruimte. Soms lijkt het alsof ze niet óp het doek zijn geschilderd, maar er dwars doorheen bewegen.
Die vrijheid zit ook letterlijk in zijn manier van schilderen. Hans werkt met verschillende materialen en gereedschappen, van olieverf, inkt en acryl tot kwasten, sponsen en doeken en gebruikt soms zelfs zijn handen. Het schilderen mag zichtbaar blijven. Een lijn hoeft niet perfect te zijn wanneer hij precies de juiste beweging vangt.
Naast zijn eigen kunstenaarschap is Hans sterk betrokken bij kunst en cultuur in zijn geboortestad Helmond. Zo zet hij zich in voor street art en urban culture en vertelt hij tijdens de Mural Podwalk de verhalen achter de muurschilderingen in de stad.
Misschien is dat uiteindelijk wat fotografie en schilderkunst bij Hans met elkaar verbindt: goed kijken, weglaten wat niet nodig is en ruimte laten voor dat ene moment waarop een beeld gaat leven.
Want soms gebeurt het interessantste juist nét naast datgene waar iedereen naar kijkt.
Gerard Engels
Wie naar een bronzen beeld van Gerard Engels kijkt, ziet niet alleen een paard, torso of menselijke figuur. Je ziet ook hoe het beeld is gemaakt. Lijnen, naden en openingen blijven zichtbaar en vormen samen een soort huid. Gerard verbergt het maakproces niet, hij maakt het juist onderdeel van het werk.
Zijn achtergrond ligt in de industriële vormgeving. Aan de Akademie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven leerde hij driedimensionaal ontwerpen en deed hij een brede kennis op van materialen en technieken. Als beeldhouwer ontwikkelde hij zich vervolgens grotendeels zelf. Aanvankelijk werkte hij met hout en maakte hij abstracte objecten, geïnspireerd op onder meer wervels en vruchten. Gaandeweg werd zijn werk figuratiever en ontstonden de paarden en menselijke torso's waarvoor hij inmiddels zo herkenbaar is.
Bijzonder is de manier waarop zijn bronzen beelden beginnen. In zijn atelier in Retie verwarmt Gerard was tot deze vloeibaar is. Hij laat de was stollen tot dunne platen, snijdt deze vervolgens in repen en bouwt daarmee zijn beelden strook voor strook op. Met een soldeerbout worden de delen aan elkaar verbonden, maar bewust niet zo netjes dat de verbindingen verdwijnen. Wanneer het wasmodel later in brons wordt gegoten, blijven juist die lijnen behouden.
Ook in de afwerking zoekt Gerard niet naar perfectie. Een oppervlak mag ruw blijven, een vorm hoeft niet volledig gesloten te zijn en soms ontbreekt zelfs een deel van een lichaam. Toch voelt het beeld compleet. Ons oog vult als vanzelf aan wat niet is weergegeven.
Beweging is daarbij belangrijker dan anatomische perfectie. In een eerste schets zoekt Gerard al naar de houding en spanning die een beeld nodig heeft. Vooral bij zijn paarden is dat goed zichtbaar: massa en kracht worden teruggebracht tot lijnen en vormen die soms bijna lijken te bewegen.
Misschien is dat wel het bijzondere aan zijn werk: zwaar brons dat nog altijd iets van een snelle schets heeft behouden.
Alsof je niet alleen naar het uiteindelijke beeld kijkt, maar ook naar de hand van de maker die het heeft opgebouwd.
Roel van Daal
Een straat, een gevel, een raam. De schilderijen van Roel van Daal beginnen vaak bij iets wat we allemaal kennen. Toch gebeurt er tijdens het kijken iets merkwaardigs. Wat op het eerste gezicht een helder en herkenbaar straatbeeld lijkt, laat zich steeds moeilijker precies plaatsen. Waar sta je eigenlijk? Kijk je naar een gebouw, door een raam of juist naar de weerspiegeling ervan?
Roel van Daal studeerde monumentale vormgeving en schilderen aan de Academie St. Joost in Breda. Het stedelijke landschap vormt al lange tijd een belangrijk uitgangspunt voor zijn werk. Niet de grote monumenten of spectaculaire stadsgezichten trekken daarbij zijn aandacht, maar juist straten, gevels, ramen, muren en plekken waar we in het dagelijks leven gemakkelijk aan voorbijlopen.
Licht speelt daarin een bijzondere rol. Het valt op gevels, verdwijnt achter glas en verschijnt opnieuw als weerspiegeling. Binnen en buiten kunnen daardoor in één schilderij samenkomen en verschillende momenten en gezichtspunten lijken over elkaar heen te schuiven. Van Daal schildert die beelden helder en precies, maar gebruikt die helderheid juist om twijfel te creëren.
Mensen zijn in zijn werk zelden het hoofdonderwerp. Als ze verschijnen, zijn ze eerder figuranten in het straatbeeld. Voor Van Daal gaat het vooral om de sfeer die onder of achter een voorstelling voelbaar wordt. Een schilderij moet volgens hem ook kunnen bestaan zonder dat we de afgebeelde persoon of plek kennen.
Misschien is dat waarom zijn ogenschijnlijk gewone straten zo lang de aandacht vasthouden. Hoe langer je kijkt, hoe minder vanzelfsprekend het beeld wordt.
Je herkent de straat, maar bent even niet meer helemaal zeker waar je bent.
Teun Welten
De sculpturen van Teun Welten zien er vaak verrassend vanzelfsprekend uit. Zorgvuldig gemaakt, helder van vorm en soms bijna alsof ze een praktische functie zouden kunnen hebben. Maar precies daar begint de verwarring. Want waarvoor dient zo'n object eigenlijk? En waarom zijn we zo geneigd om aan een herkenbare vorm onmiddellijk een functie toe te kennen?
Teun studeerde in 2015 af aan St. Joost in Breda. Als kunstenaar vertrekt hij vanuit zijn verwondering over de begrijpelijke en functionele wereld om ons heen. Alledaagse vormen, materialen en objecten worden door hem onderzocht, aangepast en opnieuw opgebouwd. Daarbij werkt hij uiterst precies. Zijn sculpturen verbergen niets en doen zich voor zoals ze zijn en toch verliezen ze onderweg hun oorspronkelijke vanzelfsprekendheid.
Opvallend is dat Teun zelf van huis uit juist weinig met kunst en kunstgeschiedenis had. Wiskunde en scheikunde, met hun analyse en logica, lagen hem veel meer. Die manier van denken is nooit helemaal verdwenen. Ook in zijn kunst zoekt hij naar massa, materiaal, verhouding en constructie. Niet om alles te verklaren, maar juist om met die logica iets te maken dat nieuwe vragen oproept.
Dat kan ver gaan. Voor een kunstproject maakte Teun ooit precies één vierkante meter plaatstaal, volledig bekleed met bladgoud. Het werk was bedoeld om permanent onderdeel te worden van een nieuwbouwhuis. De toekomstige eigenaar hoefde er niet voor te betalen, maar moest wel bereid zijn bezoekers binnen te laten om het kunstwerk te bekijken. Daarmee werd een eenvoudige vierkante meter ineens een onderzoek naar kunst, bezit en waarde: wordt een huis meer waard door een kunstwerk of wordt kunst meer waard doordat het onderdeel wordt van een huis?
Ook in ander werk gebruikt Teun materialen en vormen die we denken te begrijpen. Een pallet, een constructie of een object kan vertrouwd ogen, maar door materiaal, schaal of uitvoering verandert de betekenis. Het functionele wordt nutteloos, terwijl het nutteloze juist betekenis krijgt.
Misschien hoef je bij zijn sculpturen daarom niet onmiddellijk te zoeken naar wat ze voorstellen.
Interessanter is de vraag waarom we zo graag willen begrijpen waar iets voor dient.